De goede verstaander (en ook de minder goede verstaander) begrijpt natuurlijk de uiterste consequentie van deze opzet. Zeker in de context van het werk van Willem Jan Otten. De onbekende en alomtegenwoordige "U" is uiteindelijk natuurlijk die ene onbekendste en alomtegenwoordigste U: God. Daarmee zijn de gedichten in deze bundel explicieter dan ooit gebeden. Maar juist door God als lezer te hanteren, is Gerichte gedichten ook een statement over poëzie - het lezen van poëzie en het schrijven van poëzie. Want wie is de Lezer aan wie een seculier dichter zich zijn verzen richt? Wat is de aard van de voorstelling die hij maakt, en wat is de aard van de voorstelling die een individuele lezer van poëzie zich maakt van de Lezer tot wie een dichter zich richt? Schrijven en lezen, zo lijkt Otten te willen zeggen, is hoe dan ook bidden.
Willem Jan Otten wijst ook in Gerichte gedichten weer op het religieuze in ons allemaal, en je zou zelfs kunnen zeggen ook op het seculiere in al het geloof. Daarmee slaat hij een brug tussen de religieuze en de seculiere wereld, en dat maakt hem tot een van de belangrijkste Nederlandse dichters van deze tijd.

In Gerichte gedichten richt Willem Jan Otten zich rechtstreeks tot u, de alomtegenwoordige lezer. Wie is de lezer die er, zodra hij een gedicht schrijft, nooit niet is? Is het waar wat Otten denkt, – dat u, de alomtegenwoordige lezer, al van tevoren weet wat hij gaat schrijven? Lijkt u wellicht op zijn moeder? Of bent u een echomuur? Zit u inderdaad in het Onze Vader? Waar bent u als alle mensen uitgeroeid zijn? Bent u wie weet de vuurtoren van Vlieland? Bent u bekend met de gedachten van Darwin? Was u er toen de vader van de dichter stervende was? In Gerichte gedichten richt Otten zich meer dan ooit rechtstreeks tot zijn lezer. U kunt niet ongedaan gedacht, wel gemeden als een ziekte, verraden als een huidskleur, ontwend als een sigaret.