|
|
|||||
|
Jan Blokker jr.
Op een ochtend in april trek ik mijn
schoenen aan, ik stommel de trap af,
laat de deur achter me dichtvallen
en ik loop. Wonderlijk onaangedaan
ben ik. Ik heb gezwaaid naar de
achterblijvers en ik ben gewoon
vertrokken. Op weg naar Rome,
oneindig ver weg in tijd en ruimte.
Zo ver dat ik me er geen
voorstelling van kan maken. Al na
enkele dagen heb ik geen idee meer
waar ik heen moet en hoe lang het
nog is. Tussen Keulen en Parijs
scharrel ik naar het zuiden, de zon
achterna. Langs provinciale wegen en
over zandpaden, door het bos en over
de heuvels zoek ik mijn weg naar de
stad waar ik ooit verliefd op ben
geworden. Begin augustus zal ik door
de
Porta del Popolo binnenkomen.
Als ik het haal.’ |
![]()
|
||||
|
|
|||||
![]() ![]() |
|||||
|
|
|
||||